In het begin van de jaren 1950 schildert Raveel een aantal bijzondere, intieme portretten en stillevens, vaak met tafels, stoelen en objecten. Hier zien we een vrouw die op een stoel aan het raam zit. Ze lijkt in gedachten verzonken. Het patroon van groene en rode strepen in haar gelaat geven haar gemoed weer dat door de kijker zelf gelezen of geïnterpreteerd kan worden. Zo werkt het patroon ook als een soort spiegel waarin we onszelf kunnen herkennen. De vensterbank is in pasteuze pastelstreken gevat. Buiten markeren drie witte palen de omheining van de achtertuin. De overwegend witte tinten in dit schilderij geven het werk een melancholische ondertoon, net als de houding van de vrouw. Het beeld lijkt op te gaan in de omgeving van de tentoonstellingszaal.
