Dit is een van de vroegste schilderijen waarin we de typische beeldtaal van Raveel herkennen. Raveel herleidt alles tot zijn essentie en laat de eigenheid van de dingen spreken. De daken zijn rood, de betonmuurtjes grijs en schraal. De lucht is atmosferisch, de aarde is met losse toetsen weergegeven. De penseelstreken volgen de richting van het tuinpad. De palen scheppen ruimte en doorbreken het schilderij als evenwichtig en gesloten geheel: de paal links is een abstracte afgesneden strook, de paal in het midden loopt denkbeeldig verder via de bovenrand en het dunne paaltje rechts zweeft als het ware voor het schilderij. In dit schilderijtje bestaat een bevreemdende spanning tussen concrete en abstracte elementen: Raveel maakt de relatie tussen de dingen op een plastische manier zichtbaar.
