In dit schilderij zien we de typische beeldtaal van Raveel ontstaan: ding, vorm en kleur worden tot hun essentie herleid. Voor Raveel is een schilderij geen harmonieus geheel: het zit vol storende bestanddelen. Alle elementen krijgen vanuit hun eigenheid een specifieke plastische vertaling. Aan de voorkant van de tafel herkennen we de houtstructuur, het bovenblad wordt gebruikt om met lijnen het perspectief weer te geven. De fles vangt veel licht en wordt een gele met zwart omrande vorm. Het gezicht krijgt volume door middel van streepjes en doet wat aan de tekeningen van Van Gogh denken. Het kommetje is nog net herkenbaar, maar wordt bijna een op zichzelf staande witte vlek. We zien ook hoe Raveel het schilderij laat uitvloeien in de omgeving. Lijnen en vlakken die de ruimte weergeven kan je denkbeeldig doortrekken buiten de grenzen van het schilderij. De rode arm, die zich het dichtst bij de toeschouwer bevindt, knalt als het ware naar voor uit het doek.
