11. Dorpsschool en atelier
Als kind ging Raveel naar deze school. Al van jongs af was zijn tekentalent duidelijk. Zo weten we dat hij regelmatig tekeningen maakte voor zijn medeleerlingen. Hij tekent toen al portretten van buren en kennissen, en waagt zich ook al eens aan een zelfportret.
Omstreeks 1960 verhuist hij zijn atelier naar de turnzaal van de school, die leeg staat. De overstap van de kleine zolderkamer in de Petegemstraat naar een veel grotere ruimte stelt Raveel in staat grotere en complexere schilderijen te maken. In de acht jaar dat hij hier werkt, komen veel van zijn belangrijkste werken tot stand.
Rond 1955 wordt het werk van Raveel abstracter. Hij vindt dat zijn schilderijen spontaniteit missen. Hij gaat meer ‘vanuit de buik’ schilderen, vaak in de open lucht. Zijn schilderijen groeien in formaat en het kleurenpalet wordt feller. Hij introduceert het vierkant als abstract element dat contrasteert met het spontane en ‘vlekkerige’ van de natuur.
Deze abstracte fase is tijdelijk, want rond 1962 keert Raveel terug naar de visuele motieven van voorheen. Zijn schilderijen krijgen dan een grafischer karakter, met zwarte lijnen en contrasterende kleuren. Het abstracte en het figuratieve vinden elkaar in een nieuwe synthese waaruit de Nieuwe Visie wordt geboren.






